donderdag 6 september 2018

Spirituele economie - 12. Geld

Ons woordje geld hangt samen met het Nederlandse woord goud en met het Engelse gold. Goud gold eeuwenlang als het edelste metaal en er werd al die tijd veel in goud betaald. In veel talen wordt geld overigens aangeduid met woorden die verwant zijn aan het Engelse money. Dit stamt van het Latijnse moneta, dat geldmunt of stempel betekent, en ook duidt op de plaatsen in het Romeinse rijk destijds waar de Romeinse geldmunten werden geslagen.

Geld is een prachtige vinding. Misschien wel de mooiste materieel economische vinding die we als mensen ooit hebben gedaan. Het is in het tussenmenselijke fysiek-economische verkeer het universele sturingsmiddel bij uitstek. Het vergemakkelijkt de uitwisseling van goederen en diensten en het maakt hun waarden vergelijkbaar.  Bovendien democratiseert het de markten en en maakt het ons tot gelijkwaardige ruilpartners. Helaas zijn de ontwikkelingen in het financiele domein en de bemoeienissen hiermee vanuit andere domeinen ons ons zicht hierop in de loop van de tijd steeds meer gaan ontnemen. Dat zou het wel eens kunnen zijn wat het ons zo vaak moeilijk maakt om goed met geld om te gaan.

Geld is iets materieels: een muntstuk, een geldbiljet, een cheque, een machtigingsformulier, een plastic kaart, of wat dies meer zij. Het zou voor de hand liggen om zo'n fysiek betaalmiddel alleen in te zetten tegen de levering van fysieke goederen en diensten. Maar zo zijn we dat niet gaan doen. Alles zijn we te koop gaan aanbieden, ook psycho-sociale, culturele en spirituele producten en diensten. En waarom ook niet? Waarom zou het geld dat we voor iets geven of ontvangen als tegenprestatie er niet een uitdrukking van kunnen zijn hoezeer in geval het immateriele in het materiele tot uitdrukking is of kan zijn gebracht? Maar een en ander kan vertroebeld raken, vooral als het gaat om geestelijke diensten en waarden. De geschiedenis van met name de religieuze instituties heeft ons dat maar al te vaak laten zien. Twee mechanismen kunnen hierbij in het spel zijn en elkaar versterken. Allereerst de constitutionele neiging in ons om in ons persoonlijke leven het geestelijke te verwaarlozen of te veronachtzamen. Vervolgens het sociale, culture en filosofische materialisme van de 18e, 19e en 20e eeuw waardoor de spanning en samenhang van het materiele en het immateriele nogal eens in het ongerede zijn geraakt.

Niet alleen de financiele instituties en de overheden hebben hierin hun verantwoordelijkheid. Ook wijzelf als consumenten. Alle drie lopen we de vraag naar wat geld eigenlijk is en wat de functie er van is in denken, spreken en handelen maar al te gemakkelijk stelselmatig onder de voet. Niettemin kan de creativiteit die anno 2018 her en der aan de dag wordt gelegd als het gaat om de bezinning op en de opvang van de planeetcrisis ons enige hoop bieden dat ook financiele bewustwording mogelijk is.

dinsdag 17 juli 2018

Spirituele economie - 11. Werk en werkeloosheid

Zo kunnen, mogen en moeten we in het totale veld van spirituele actie drie werkvelden onderkennen. Ten eerste het rijk geschakeerde fysieke of economische veld. Ten tweede het al even diverse civiele veld. Dit civiele veld is is afgeleid van en dient ter ondersteuning van het economische veld  In het gebruikelijke economische betoog worden beide velden dan ook vaak te samen genomen. Ten derde is er het geestelijke veld dat de inspiratieve grond is voor het economische en civiele. Er is sprake van een soort van hierarchische ordening met het fysieke veld bovenaan. Het gaat immers uiteindelijk allemaal om de bevordering van het fysieke en economische omdat alle mensen te samen met alle levende wezens allereerst daarvan afhankelijk zijn en daarin weer door en door van elkaar afhankelijk. Tegelijk zijn de drie velden gelijkwaardig. Want ze doordringen elkaar en staan ook elkaar ten dienste. De mensheidsgeschiedenis staat bol van de verdraaiingen en conflicten in deze. Zeker de Atlantische geschiedenis. Eeuwen lang en zeker sedert Plato in de 4e eeuw BCE heeft bij voorbeeld het geestelijke veld in positie en waardering aan de top gestaan. Sedert Marx in de 19e eeuw CE heeft het veld van de economisch actieven en met name de minder vermogenden daarin dit vaandel proberen over te nemen, met naar het zich laat aanzien een twijfelachtig effect en succes.

Uit oogpunt van spirituele actie is er sprake van werk en niet-werk, of van werk en werkloosheid, of van werk en bedrijvigheid. Werk is alle individuele bedrijvigheid in welk werkveld dan ook die overeenstemt met  wat ieder van ons eigenlijk uit oogpunt van persoonlijke bestemming te doen staat. bedrijvigheid is alle bedrijvigheid die dat niet doet. Hier draait voor ons mensen als spiritueel actieve wezens alles om. Hierin ook kunnen we ons persoonlijk en collectief grandioos voor de gek houden en elkaar te kort doen. Wie betaald en wie weet zelfs goed betaald bedrijvig is kan denken of geacht worden dat hij of zij aan het werk is. Wie gedwongen of uit overmacht niet tegen vergoeding bedrijvig is kan denken of geacht worden tot werkloosheid  gedoemd of vervallen te zijn. Of we hebben wel werk in de gebruikelijke zin van het woord, maar dan in een veld of op een gebied dat eigenlijk het onze niet is, of we zijn uit noodzaak of dwang of onwetendheid bedrijvig op een manier die de onze niet is. 

Doorgaans brengen we werk en werkloosheid vooral met fysieke  of economische werkzaamheid en inactiviteit in verband. Maar de scheidslijn ligt niet tussen de hierarchisch gelaagde velden  De scheidslijn zit hem in de intentie waarmee we bedrijvig zijn en dus al dan niet aan her werk. Maar zeker is die scheidslijn en de opheffing daarvan in het fysieke of economische veld van doorslaggevende betekenis. We kunnen sacrale en profane economie bedrijven. De sacrale economie is gebaseerd op spirituele economische waarden. De profane economie is de economie van de berekening. Het zou een misverstand zijn te denken dat dit een zaak van of-of is en van  goed en fout. Maar dit misverstand heerst alom, met minachting voor het sacrale als gebruikelijke uitkomst. Beide economieen hebben elkaar echter nodig. De berekenende economie kan niet tot volle en evenwichtige wasdom komen zonder het spirituele. De spirituele economie kan slechts tot gelding komen in een bewuste berekenende economie. Deze verhouding is niet zozeer een doel maar een weg, niet zozeer een eindpunt, maar een steeds verschuivende einder. Maar pas in een dergelijke verhouding wordt de weg geopend voor volledige werkgelegenheid, waarin alle mensen hun gezamenlijke bestemming en persoonlijke opdrachten kunnen ontdekken en verwerkelijken en daarin ook elkaar kunnen bevestigen.


dinsdag 29 mei 2018

Spirituele economie - 10. Werk

Van werken is sprake als we bezig zijn met wat ons van moment tot moment persoonlijk te doen staat. Werken is op eigen persoonlijke wijze gevolg geven aan de gezamenlijke bestemming die alle mensen met elkaar delen om het immateriele in het materiele tot uitdrukking te brengen. Het is de bedoeling van ons menselijk actief zijn dat alles wat we doen en de manier waarop we dat doen stroken met onze persoonlijke opdrachten. Maar het is ook maar al te zeer eigen aan ons menselijk actief zijn dat wat we op gegeven moment doen en de manieren waarop we dan bezig zijn niet stroken met onze persoonlijke opdrachten. Vaak zijn we wel bedrijvig, maar niet aan het werk. We kunnen in de gebruikelijke zin werkloos zijn maar ook in spirituele zin. Het is onze persoonlijk spirituele verantwoordelijkheid er voortdurend voor te zorgen dat al onze bedrijvigheden en de manieren waarop we ze verrichten samenvallen met wat ons telkens weer te doen staat. Dit vraagt van ons levenslang niet aflatend onderzoek met de vinger aan de pols. Wat staat mij telkens weer te doe, en hoe, en in welke mate komen wat ik op gegeven moment doe alsmede de manier waarop wel of niet overeen met wat mij persoonlijk te doen staat? De antwoorden op deze vragen druk ik uit in evenzovele intenties.We doen dat te weinig, ons afvragen wat we hier en nu eigenlijk te doen hebben en of wat we nu feitelijk doen daar mee overeenkomt.

Wat te doen? We zijn sterk geneigd geraakt om werk gelijk te stellen aan economisch werk voor de bevolkingsgroepen tussen 15 en 75 jaar. Dat is begrijpelijk. Gezien het spirituele primaat van het economische domein, of gezien  de geschiedenis van de economie als topprioriteit op de publieke agenda. Maar niet iedereen hoeft allereerst een economische opdracht te hebben in het leven of in een bepaalde levensfase. Dat kan net zo goed een maatschappelijke of culturele opdracht zijn. We hebben ook een lange geschiedenis van onderwaardering van bezigheden in de persoonlijke levenssfeer. Zo zijn hobbies maar hobbies en hebben zij niets met werk van doen. Dat geldt net zo vaak ook voor huishoudelijke bezigheden. Het aanrecht is berucht geworden. De hond uitlaten of mijn kind naar bed brengen kunnen evenzeer mijn werk zijn als, en misschien nog wel meer dan, mijn in- of verkoopactie voor mijn bedrijf. We lopen trouwens het risico te veronachtzamen dat we voortdurend veel domeinen van spirituele actie bestrijken en hebben te bestrijken, zo niet alle, zij het in verschillende maten en met eigen prioriteiten. Het kan ook voortdurend wisselen en verschuiven van de kortere tot op de langere termijn.

Hoe moet ik dat doen? Dat is een vraag met veel subvragen. Mogelijk in twee hoofdlijnen: in welke vormen, en onder welke condities? Werkvormen die zich kunnen aandienen zijn: ondernemen, toezicht houden, leiden en managen, uitvoerend werkzaam zijn, vrijwilligerschap, actief lidmaatschap, professionele beroepsuitoefening, en persoonlijk dan wel digitaal netwerken. Belangrijke condities die in het spel kunnen zijn: beloning, bekwaamheid, verbintenis, en tijdsperspectief. Moet of mag ik wel of niet tegenprestaties verwachten in de vorm van vergoedingen, uitkeringen of sponsoring? Ben ik voor wat mij te doen staat voldoende toegerust en hoe zorg ik er eventueel voor dat ik dat wel ben. Doe ik mijn werk krachtens formelere overeenkomsten en afspraken, of meer informeel en in meer stilzwijgende afstemming. Geldt mijn opdracht voor kortere termijn of als project, dan wel voor de lange termijn of zelfs levenslang? Naast deze twee hoofdlijnen geldt natuurlijk de kwaliteitsvraag: ik hoor altijd alles zo goed mogelijk en naar vermogen te doen.

Werk in spirituele zin houdt nog iets in. Wij zijn namelijk niet alleen deelnemers aan en consumenten binnen een of meerdere domeinen in het totale veld van spirituele actie. Wij zijn mogelijk ook bijdragers en mede-ontwikkelaars daarvan. Wij kunnen werken in het besef dat we het betreffende domein verder kunnen ontwikkelen dan wel er afbreuk aan kunnen doen. Als ik mijn tuin verzorg dan ben ik agrarisch bezig en heb ik een kans te zorgen voor insectenvriendelijke begroeiing. Als ik het reisformulier van de reisorganisatie goed invul dan kan ik de opzet van de reis die ik heb meegemaakt voor anderen verbeteren.

zondag 6 mei 2018

Spirituele economie - 9. Het fysieke domein

De eigenlijke economie dus! Het domein bij uitstek in het hele veld van spirituele actie! Het is de moeite waard, hoe tricky ook, om te zien hoe met name dit domein wat specifieker in kaart te brengen is.

We kunnen de contouren ontwaren van een groot aantal omvangrijke moeilijk uitputtend op te sommen werkgebieden. Landbouw en veeteelt, bosbouw en waterbouw, visserij, mijnbouw, de wereld van de ambachten en het ingenieurschap, de bouw, handel en marktwezen,winkelnering, logistiek en transport, het geldwezen, de industrie, fysieke advisering en dienstverlening , en ict. In de aardrijkskundeboekjes van wat voorheen de lagere school was werd met achteraf gezien spiritueel economische diepgang gesproken van middelen van bestaan. In bovenstaande opsomming zit een historische lijn al is die bepaald niet lineair. We begonnen ooit agrarisch. Het jagen en verzamelen ging daar weliswaar nog aan vooraf. Maar dit werkgebied, dat vergeleken met de genoemde werkgebieden evolutionair gezien verreweg het langst heeft geduurd, is in de andere gebieden opgegaan.

Ook hier kan het verstarrend werken om van werkgebieden te spreken. Dat geeft te veel de indruk van een plat speelterrein met afpalende belijningen en markeringen. Het gaat eerder om een economische ontwikkelingsgang vol deelprocessen die wel globaal en in de tijd gezien na elkaar hun start hebben genomen maar die door zijn blijven evolueren, zich op elkaar zijn gaan stapelen en elkaar meer en meer zijn gaan doordringen.

Lang niet allemaal zijn we actief werkzaam in het fysieke domein. Wie dat wel zijn, van hoog tot laag in de betreffende rangen en standen, hebben een grote en belangrijke verantwoordelijkheid. Niet alleen zijn de economisch actieven van elkaar afhankelijk. Ook en met name is het bestaan van allen die binnen de de andere domeinen opereren van de economisch actieven afhankelijk. Deze dubbele afhankelijkheidsverhouding wordt ternauwernood onderkend en heel vaak met voeten betreden. Bekend is de opstelling van de financiele wereld in aanloop naar, tijdens en in vervolg op de financiele crisis sedert 2007. In die wereld zijn met name de hogere gezagskringen volkomen bevangen geraakt door een ook nog eens slecht begrepen eigen belang op de korte termijn. Daar is voldoende op gewezen door serieus te nemen opinieleiders. Ook de recente ontwikkelingen op het gebied van werkgelegenheid getuigen van de ontkenning van de betekenis van het fysieke domein. Aan werkgelegenheid is er nominaal gezien geen gebrek maar van waardige werkgelegenheid is steeds minder sprake. Getuige de ontwikkelingen in het wel en wee van het als maar groeiende leger zzp'rs, deel- en tijdelijke contractanten en uitzendwerkers.

Als consumenten hebben we natuurlijk allemaal deel aan het fysieke domein en hebben we er  ook invloed op. Die deelname en invloed kunnen niet bewust en waardig genoeg zijn. Helaas is ook hier nog een wereld te winnen. De huidige planeetcrisis is mede toe te schrijven aan ontaard consumentisme.
Waardige actieve en ontvangende deelname aan het fysieke domein vragen om het besef dat het fysieke domein bij uitstek het domein is waar alle mensen samen het immateriele in het materiele tot uitdrukking mogen, kunnen en moeten brengen.

maandag 23 april 2018

Spirituele economie 8 - Het veld van spirituele actie

Wij mensen doen in een ding met alle andere levende wezens mee. Want ook wij bewegen ons in, maken gebruik van en grijpen in in de materiele werkelijkheid. Dat is allemaal economie, economie in de ruimste zin. Een spirituele economie is een economie van mensen waarin alle deelnemers doordrongen zijn van het besef van deze universele participatie en daar hun verantwoordelijkheid voor en in nemen. Nu geven we als mensen aan al dat bewegen, gebruik maken en ingrijpen wel een eigen vorm.  Die eigen menselijke vorm is van begin af aan complex. Ze is sedertdien in haar grondtrekken gelijk gebleven maar wel als maar complexer aan het worden en in die zin als maar aan het veranderen. Hierin verschillen wij mensen wezenlijk van alle andere wezens.. Wij bewegen ons, maken gebruik en en grijpen in middels een veld dat zich differentieert in domeinen, panelen zo men wil, die wel re onderscheiden zijn maar niet te scheiden en die elkaar steeds in wisselende maten doordringen, als telkens verschuivende en anders in elkaar schuivende  panelen.

Allereerst is er het fysieke domein, het domein dat we doorgaans economie noemen. Daarin gaat het om het bedenken, ontwikkelen, maken, toelichten, beheren, promoten, distribueren en ge-,  verbruiken en weer hergebruiken van fysieke producten. Die fysieke producten zijn cruciaal voor ons om te leven, te overleven en van ons bestaan te genieten.  De mensen die werken in fabrieken en werkplaatsen, op agrarische gronden, in civiele diensten  of bij voorbeeld in horecagelegenheden zijn de economen bij uitstek. Als gebruikers en als ver- en hergebruikers in onze huishoudens zijn we dat allemaal. Het fysieke domein is het spirituele domein  bij uitstek. Nergens komt de menselijke opdracht om het immateriele in het materiele tot uitdrukking te brengen zo direct, concreet en ondubbelzinnig tot tot gelding.

Dan zijn er de domeinen, in ieder geval vier, die de voorwaarden moeten scheppen om het fysieke domein goed te laten functioneren en er voor zorgen dat het goed functioneert. Zo is er het psycho-sociale domein, waarin biedend en ontvangend wordt gewerkt aan gezondheid, welzijn en geluk. Zodat we in staat zijn deel te nemen aan het fysieke domein. In het maatschappelijke domein wordt het functioneren van het fysieke domein structureel bewaakt en worden voor het verbeteren daarvan  suggesties ontwikkeld , uitgeprobeerd, bijgesteld, gesanctioneerd en bewaakt. Het is de wereld van o.a. de meest uiteenlopende overheidsinstanties en van de grote diversiteit aan publieke en private en grote en kleine adviesinstellingen. Het culturele domein, de wereld van in ieder geval de kunsten en van het onderwijs, leert ons het fysieke op zijn waarden te schatten en er verantwoord mee om te gaan. Last but not least is er het geestelijke domein, van ouds het terrein van kerken en religieuze instituties. Zij hebben er altijd op toegezien en er aan bijgedragen dat ons besef van onze menselijke opdracht om het immateriele in het materiele tot uitdrukking te brengen tot leven komt, levend blijft, en zich verdiept en intensiveert.

Het is eigenlijk verwarrend en verstarrend te spreken van domeinen.of bv. instanties en zelfs van panelen. Eerder zouden we kunnen denken aan een deeltjesversneller, waarin ieder van ons een rondsnellend deelrje is en de verschillende domeinen eerder zich door elkaar wervelende banen zijn..
We hebben deel aan een vitale en gelaagde economie waarin alles en allen voortdurend met elkaar in betrekking staan en op elkaar inwerken.  Waarin het economisch het niet-economisch raakt en het niet-economische evenzeer het economische.

zondag 1 april 2018

Spirituele economie - 7. Winst

Naast groei of in ieder geval vlak daaronder in de lijst van overkoepelende economische waarden troont winst. Winst is meer dan groei een uitgesproken financieel idee. Winst is geldelijk gewin. Als het om niet geldelijk gewin gaat spreken we eerder van profijt. Winst is dan het positieve verschil tussen geldelijke uitgaven en inkomsten. Winst staat ten dienste van groei, vooral van ontwikkeling. Voor groei en ontwikkeling is veel geld nodig en dus ook veel winst. Daaraan danken de financiele markten hun bestaan en, afhankelijk van wat ze doen en nalaten en van de manier waarop, ook hun bestaansrecht. De crisis van 2007 heeft ons laten zien dat dit bestaan en dit bestaansrecht niet zonder meer samenvallen, en dat dat bestaansrecht zelfs ondergraven kan worden.

Wat er moet groeien en wie er moet of moeten groeien in welke opzicht of welke opzichten, dat is de grote vraag. Afhankelijk van het antwoord of de antwoorden hierop hebben winst en vooral het streven naar en de inzet van winst hun positieve of negatieve betekenis, economisch of anderszins. Winst dient ten goede te komen van een onderneming als geheel en van al haar stakeholders voor zover dezen bijdragen of kunnen bijdragen aan de voortgang en de vooruitgang van die onderneming en voor zover in hen geinvesteerd moet worden om die bijdragen te kunnen leveren. En de onderneming op haar beurt staat ten dienste aan de voortgang en de vooruitgang van de samenleving als geheel dan wel van het economische of van een ander domein binnen de samenleving. We hebben van doen met een nauw verstrengelde belangenketen: groei - winst - onderneming - stakeholders - samenleving. Die keten wordt maar al te vaak grootscheeps uit het oog verloren en veronachtzaamd. Veel vaker dan geweten wordt of geweten wil worden.

Winst wordt vaak losgekoppeld van groei en ontwikkeling, wordt een doel op zichzelf, wordt op oneigenlijke wijze toegeeigend door bepaalde betrokken partijen. Door veel ondernemingen wordt winst niet of te weinig ingezet voor de onderneming zelf of onttrokken aan een of meer van de bijdragende partijen. Er wordt misbruik gemaakt van de complexiteit  van en de onderlinge verstrengelingen binnen het economische domeinen en de samenleving als geheel. Het wordt echt de hoogste tijd om ons persoonlijk en gezamenlijk opnieuw te bezinnen op de vragen: wat is winst, waartoe dient winst, aan wie en aan wat moet de winst toekomen? De goede en de juiste richtingaanduidende antwoorden zijn ons vanuit de boekjes en het gedachtegoed van toonaangevende opinieleiders ruimschoots bekend. Het ontbreekt ten enen male aan de praktische inzet van deze antwoorden. Er is in deze nog een wereld te winnen.

woensdag 14 maart 2018

Spirituele economie - 6. Groei

Groei is in de loop van de tijd absoluut boven aan komen staan op de ranglijst van westerse economische waarden. Alles moet groeien. Winst, omzet, eigendom, kapitaal, aandelenkoers, creditportefeuille, productie, technologie, effectiviteit en efficiency, inkomen, werkgelegenheid. Sinds de economische crisis van de jaren dertig in de 20e eeuw moet zelfs schuld groeien al is dit dan wel iets meer omstreden. Wat niet groeit deugt niet en de groei van het een is afhankelijk geworden van de groei van het ander.
De groeigedachte heeft de mensheid in haar wurggreep gekregen. Ze is na WO-II ook overgeslagen naar het psyco-sociale domein. Wij mensen zelf moeten groeien. Tegen de klippen op. Steeds meer weten en kunnen, ons alsmaar ontplooien, succes na succes behalen op steeds meer terreinen, gezonder en gezonder worden, alsmaar meer levensjaren en welvaart en welzijn opstapelen, en meer en meer behoeften aankweken en bevredigen.

De gedachte van en behoefte aan economische groei heeft een natuurhistorische basis. Want wij mensen zijn sedert onheuglijke tijden als succesvolste overlevers onder alle dieren in aantal alleen maar gegroeid. Steeds meer mensen moesten derhalve worden gevoed en gekleed en in van alles worden voorzien. De laatste twee eeuwen gaat het hard. Anno 1800 leefden er 1 miljard mensen op aarde, In 1950 waren dat er 2 miljard en de verwachting is dat we in 2050 met in ieder geval 5 miljard zullen zijn. Onze lange natuurhistorische groeigeschiedenis heeft geleid tot een groeineurose. Het wordt een serieuze vraag of planeet aarde onze uit de kluiten gewassen bruto productdictaten nog wel aan gaat kunnen.
Bovenop die natuurhistorische basis heeft zich een cultuurhistorische basis gestapeld, namelijk het groeiende overwicht van het kwantitatieve denken en doen boven het kwalitatieve. Veel en meer produceren en dienst verlenen is belangrijker geworden dan goed en beter en dat goed en beter is steeds meer ingekleurd geraakt door dat veel en meer. De natuurhistorische groei is van ouds een mondiaal gegeven. Maar de cultuurhistorische groeigedachte is een uitgesproken westerse erfenis, die zich vanuit het noord-westelijke halfrond over de hele globe heeft verbreid. Het kwantitatieve denken en doen zal ongetwijfeld een positieve verworvenheid zijn maar is in ieder geval een onmisbare mentale pendant gebleken om aan de natuurhistorische vereisten in voldoende mate tegemoet te kunnen blijven komen. De planeetcrisis die zich in onze tijd zo pregnant aandient laat zien dat onze dubbele collectieve levens- en overlevingsbasis fundamenteel aan herziening toe is.

Hoe kunnen we dat ter hand nemen? Het bovenstaande wijst in twee richtingen; bevolkingspolitiek en -cultuur, en ombuiging van de gedachte van economische groei.
De aarde raakt overbevolkt, zeker buiten Europa. Dat vraagt om een internationale bevolkingspolitiek, die natuurlijk vooral op Afrika en Azie gericht zal moeten zijn maar ook van Europa een inspirerende input zal vragen. Maar het vraagt ook om een nieuwe orientatie op procreatie. Als dieren willen we ons voortplanten. Mens zijn betekent van ouds het recht en de plicht om vader en moeder te zijn, om vader en moeder te moeten en te willen zijn. Het individuele onvermijdelijke en wenselijke ouderschap is aan herziening toe. Dit grijpt diep in in alle persoonlijke levens. Ook in ons eigen Westen.
Daarnaast moet kwantitatieve groei plaats gaan maken voor kwalitatieve groei. En groei voor ontwikkeling. Ontwikkeling is een complexe zaak. Invalshoek zou kunnen zijn om ons continu bij al onze productie en dienstverlening gezamenlijk en individueel af te vragen welke baten we daarbij op wat voor manier feitelijk nastreven en en welke we zouden moeten nastreven, en hoe dan. De antwoorden op deze vragen zijn telkens weer belangrijk maar belangrijker zijn de voortdurende herziening van die antwoorden en vooral een niet aflatende gesteldheid van het oprechte en integrale vragen zelf. Hier komen de al eerder besproken spirituele centrale waarden weer om de hoek kijken.