zaterdag 16 februari 2019

Spirituele economie - 15 slot: Het spiritueel-economische aandeel

Behalve het geld behoort ook het aandeel tot de mooiste vindingen in het fysiek- materiele tussenmenselijke verkeer. Als ik een aandeel koop dan stel ik het bedrag waarvoor ik dat aandeel koop ter beschikking van de onderneming die het aandeel uitgeeft en van degenen die in en voor die onderneming werken. Zo krijg ik zeggenschap over, zij het niet in, de betreffende onderneming naar rato van mijn aankoopbedrag en het aantal aandelen dat ik aanschaf. Dit recht wordt namens mij door het ondernemingsbestuur uitgeoefend. Ik mag en kan dat bestuur aanspreken en bijsturen betreffende zijn uitoefening van dat mandaat en ik deel naar rato mee in de winst dan wel het verlies van de onderneming. Het aandeel is zo een prachtige manier van institutionaliseren van ondernemingsverantwoordelijkheid.
Maar evenals het geld behoort ook het aandeel tot de meest te schande gemaakte vindingen in dat fysiek-materiele tussenmenselijke verkeer. De verhouding tussen aandeeluitgevers en aandeelbezitters ontaardt nogal eens in oneigenlijke belangenverstrengelingen en bevelsverhoudingen, en in preoccupaties met wat speelt op de korte termijn, Uit het zicht raakt dan datgene waar het met en in de onderneming eigenlijk om gaat, en met en in de maatschappelijke sector waarbinnen en waarvoor de onderneming opereert. Het ziet er naar uit dat dit proces van ontaarding ondanks of wie weet juist door de aanpak van de geldelijke en economische crises sedert 2007 alleen maar is versterkt.
Alleen door inzet en beheer van spiritueel-economische aandelen kan die vaak fatale en onethische ontwikkeling worden rechtgezet en omgebogen.

Het fysieke domein kent diverse typen aandelen. In een spirituele economie gaat hem om vier typen. En dat zijn dan geen papieren geldelijke bewijsstukken van allerlei aard, maar geestelijke tussenmenselijke hoedanigheden of rollen die met de hoogste kwaliteit worden vervuld. Allereerst kan ik producent zijn van goederen en artikelen dan wel diensten in het leven roepen en verlenen. Of ik ben allereerst afnemer en gebruiker van die producten en diensten. Ofwel ik ben allereerst facilitator. En dit dan op een van twee manieren. Ik maak het maken van bepaalde producten en artikelen of het scheppen of verlenen van bepaalde diensten mogelijk. Of ik maak het weer anderen mogelijk om op een goede manier van die producten en diensten gebruik te maken. Dit is een sterk onderschatte en verwaarloosde rol of hoedanigheid. Zo gaat het dus om vier spiritueel-economische aandelengroepen: de kwaliteit van de gecreeerde en geleverde producten en diensten zelf, de kwaliteit van de manier waarop ze worden gecreeerd en geleverd, de kwaliteit waarmee ze worden afgenomen en gebruikt, en de kwaliteit van de manier waarop hun afname en gebruik worden geborgd.

De overgangen tussen deze groepen kwaliteiten zijn vloeiend en hoe onbegrensd ook nauw met elkaar verweven. Wij allen vervullen op de een of andere manier in de meest uiteenlopende konteksten alle hoedanigheden of rollen. Hun kwaliteitsaanspraak speelt op alle plaatsen en momenten, in alle activiteiten, en voor alle personen. Zo kan ik in de werkplaats van mijn eigen fietsenzaak fietsen in elkaar zetten. Terwijl ik dat doe maak ik gebruik van door anderen geproduceerde en door weer anderen geleverde gereedschappen en onderdelen. De manier waarop ik zelf die fietsen maak en aflever kan een in alle opzichten optimaal gebruik ervan door toekomstige berijders garanderen, dan wel er afbreuk aan doen. Verantwoord opgaan in mijn rol van rijwielbouwer en -leverancier zal mij niet mogelijk zijn als mij ongezond voedsel wordt verstrekt of als ik zelf ongezond eet en drink, of als ik een ondeugdelijke vakopleiding heb gehad of ondanks mijn diploma die opleiding op een ondeugdelijke manier heb gevolgd.

In een spirituele economie zijn de deelnemers, en dat zijn wij allen, zich er voortdurend van bewust welk aandeel ze bij wie op welk moment en op welke plek dan ook hebben uitstaan en aan het verzilveren zijn. Kenmerkend voor een niet-spirituele economie is los van elkaar denken en doen, leven en werken in mentaal van elkaar afgesplitste werelden. Een spirituele economie drijft op een van individu tot individu levend en steeds groeiend besef dat we met name ook materieel altijd en overal volstrekt van elkaar afhankelijk zijn en dag en nacht nauw op elkaar betrokken. Dat besef brengt en versterkt het vermogen en de bereidheid om voortdurend en steeds weer opnieuw verantwoordelijkheid te nemen en ook om daar vreugde in te scheppen en aan te ontlenen.


zaterdag 1 december 2018

Spirituele economie - 14 Bovenwereld en onderwereld

Een wereld die stoelt op een spirituele economie is een homogene wereld. Alle personen en collectiviteiten, alle domeinen en sectoren, en alle instituties en organen die die wereld dragen, ondersteunen elkaar en sluiten op elkaar aan. Bij alle verschillen en verscheidenheden die er spelen en alle spanningen die er tussen hen kunnen bestaan. Dit is geen utopie in de negatieve betekenis maar een ideaal. Dagelijks worden we er echter mee geconfronteerd dat dit ideaal als maar geen werkelijkheid wordt. Onze wereld is in ieder geval gespleten in een bovenwereld en een onderwereld. De bovenwereld is het geheel aan personen en collectiviteiten, sectoren en domeinen, en instituties en organen voor zover ze functioneren volgens de beproefde principes en uitgangspunten die ze zelf in een lange geschiedenis en met veel vallen en opstaan hebben ingesteld, op elkaar afgestemd en telkens weer aangepast en bekrachtigd. In dit kolossale proces hebben de grote geestelijke overleveringen ondanks al hun nogal eens ernstige feilen hun positieve centrale rol gespeeld. De onderwereld wordt bepaald door diezelfde genoemde formaties voor zover ze met opzet afwijken van hun eigen maximen en ze bewust ondermijnen of proberen te ondermijnen. De onderwereld vormt het geheel van ongerechtigde, schandelijke en schadelijke revoltes.

De onderwereld is in onze tijd de bovenwereld naar de kroon aan het steken, in omvang en invloed. Volume en macht van de onderwereld nemen als maar toe. Die  van de bovenwereld is aan het tanen. Fysieke en financiele, eco-, drugs- en cybercriminaliteit zijn aan de orde van de dag en dreigen buiten proportie uit te dijen. Het ziet er naar uit dat dit een historisch en nauwelijks nog terug te draaien novum is. Kern is de toenemende onderlinge verwikkeling en verstrengeling. De bovenwereld wordt zich daar steeds mee van bewust maar voelt zich daar ook steeds machtelozer bij. Het wordt voor haar steeds moeilijker om met geduld, kracht, discipline en wijsheid deze ontwikkeling het hoofd te bieden en te keren.

De wortel van de fatale tweedeling ligt in de menselijke persoonlijkheid met het ik in een cruciale rol. Dat ik kan zich wel en niet van zichzelf bewust zijn. Het niet-bewuste ik is het ik dat zich op sleeptouw laat nemen door zijn ervaringen, gedachten, gevoelens, herinneringen en wensen en sleept daar anderen of de ander in mee. Dat gebeurt dan in een rucksichtsloze cyclus: wat ik bedenk dat wil ik, wat ik wil dat kan ik, en wat ik kan dat moet ik. Het ik dat zich van zichzelf bewust is doorbreekt die cyclus. Het heeft besef van al zijn innerlijke en uiterlijke bewegingen is bereid en in staat die bewegingen te overstijgen en zo nodig bij te stellen. Het ik weet van dat vermogen tot bewustheid maar heeft ook de neiging er niet aan te willen. Deze neiging is vaak sterker dan de uitnodiging tot bewustwording. Dit is het mysterie van de menselijke persoonlijkheid, de wortel van wat we goed en kwaad noemen.

De menselijke persoonlijkheid is het fundamentele sociale gegeven. Zij legt de basis en ligt zelf aan de basis van al het kleine en grote positieve dan wel negatieve tussenmenselijke, en van alle domeinen en sectoren, instituties en organen. De tweespalt tussen boven- en onderwereld is de reproductie in het groot van die tussen het bewuste en onbewuste ik. Vandaar dat ieder mens ook persoonlijk verantwoordelijk is  oor het bestaan en functioneren van de onderwereld ook al doet hij of zij daar persoonlijk niet aan mee en wil hij of zij dat ook niet. Ieder van ons is medeverantwoordelijk. De worsteling met en de overwinning op het onderwereldse begint bij de omgang met het eigen ik en met het leren zich van zichzelf bewust te zijn en bewust van zich zelf in de wereld te staan en zich daarin te bewegen, zonder zelfgenoegzaamheid. Een prachtige oude wijsheid van die vroegere Bond Zonder Naam luidt: verbeter de wereld, begin bij jezelf. Dat is een persoonlijke opdracht waarmee  we niet aflatend telkens opnieuw weer aan de slag moeten. Afhaken betekent ruimte bieden aan de onderwereld.

maandag 15 oktober 2018

Rijkdom en armoede

Er bestaan grote geldelijke verticale verschillen tussen personen, groepen en volkeren. Zo is er een heel grote kloof tussen de inkomens van de top en de basis in onnoemlijk veel bedrijven, en tussen de financiele wereld en veel andere economische en maatschappelijke sectoren. Het gemiddelde loon van topbestuurders is 17 tot 20 keer groter dan dat van gewone werknemers. Een toenemend verticaal verschil is er aan het ontstaan tussen werkenden in vast dienstverband, flexibel werkenden en niet-werkenden. Beide fenomenen schreeuwen zo langzamerhand om een fundamentele herziening van de arbeidsmarkt. Dan is er natuurlijk nog steeds die kloof tussen ontwikkelde en minder en niet ontwikkelde landen. Zelfs binnen Nederland bestaat er een dergelijke kloof. Zo is daar sedert 2006 het aantal armen, naar onze eigen westerse maatstaven  wel te verstaan, gestegen van 850 duizend  naar 1,25 miljoen mensen. Anno 2017 kunnen bijna 300 duizend Nederlandse huishoudens door geldgebrek geen uitgaven doen voor verwarming of kleding, of stellen ze die noodgedwongen uit. En dan is er die absurde mondiale kloof tussen personen. De enkele tientallen gigantisch rijken over de hele wereld bezitten anno 2018 evenveel als de 3,5 miljard armsten, 50% van de wereldbevolking! Ons westerse kapitalistische stelsel, nog steeds buiten het Westen driftig gecopieerd, is gestoeld op de gedachte dat als de economie maar lang genoeg groeit deze ongelijkheid vanzelf verdwijnt. Terwijl dat niet gebeurd. Linkserige economen vinden dat grote ongelijkheid minstens flink verminderd moet worden. Rechtse economen vinden haar juist goed voor de economie en voor het aanwakkeren van talenten,

De inkomens- en vermogensongelijkheid heeft historisch gezien plaatselijk en mondiaal een ongekend niveau bereikt. Ze zijn heel zorgelijk. De hebzucht heeft onverbiddelijk en oogverblindend toegeslagen, hoe hoger in menselijke gelederen, hoe meer. Politiek en regeringen, als ze daar al oog voor hebben, nemen dat voor lief of vinden dat ze daar niets aan kunnen doen of hoeven te doen. Symptomatisch hiervoor zijn de ontwikkelingen op het gebied van de belastingontwijking. Trustkantoren en financiele adviseurs hebben een gigantische industrie kunnen en mogen opbouwen om voor bedrijven en individuele schatrijken de belastinglasten zo klein mogelijk te maken, en belastingconcurrentie is internationaal een belangrijke pijler geworden van politiek en economisch beleid. Op die manier worden onnoemelijk grote bedragen welbewust aan maatschappij en samenleving onttrokken. Minder rijken en armeren daarentegen worden eerder angstig en onzeker. Over de toekomst in het algemeen en die van hun kinderen in het bijzonder, en over de beschikbaarheid van allerlei zaken, zoals pensioenen en voldoende zorg en onderwijs.

De grote inkomens- en vermogensverschillen lijken te moeten onderstrepen en rechtvaardigen dat er van nature nou eenmaal ongelijkheid en ongelijkwaardigheid bestaan en moeten bestaan tussen mensen. In feite vermorzelen ze het feit dat alle mensen juist bij al hun horizontale en verticale verschillen in geaardheden en toerustingen fundamenteel gelijk dan wel gelijkwaardig zijn. Alle grote geestelijke overleveringen hebben dit altijd benadrukt. Maar die overleveringen, die we overigens zelf gestalte hebben gegeven, schijnen merkwaardigerwijs niet te stroken met de donkere zijde van ons mens zijn . En voor zover ze in het vat zijn gegoten van menselijke instituties hebben ze hun eigen inspiratie veelvuldig geweld aangedaan en doen ze dat nog steeds. Er hebben anno 2018 verschillende fundamentele brede maatschappelijke discussies plaats, zoals die over de man-vrouw-verhouding en over het ecologische vraagstuk. Het is de hoogste tijd geworden dat de kwestie van de inkomens- en vermogensongelijkheid, nu een jaar of tien indringend aangekaart, in dit forum wordt opgenomen                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                      *********************                                                                                                                                                                                                 

donderdag 6 september 2018

Spirituele economie - 12. Geld

Ons woordje geld hangt samen met het Nederlandse woord goud en met het Engelse gold. Goud gold eeuwenlang als het edelste metaal en er werd al die tijd veel in goud betaald. In veel talen wordt geld overigens aangeduid met woorden die verwant zijn aan het Engelse money. Dit stamt van het Latijnse moneta, dat geldmunt of stempel betekent, en ook duidt op de plaatsen in het Romeinse rijk destijds waar de Romeinse geldmunten werden geslagen.

Geld is een prachtige vinding. Misschien wel de mooiste materieel economische vinding die we als mensen ooit hebben gedaan. Het is in het tussenmenselijke fysiek-economische verkeer het universele sturingsmiddel bij uitstek. Het vergemakkelijkt de uitwisseling van goederen en diensten en het maakt hun waarden vergelijkbaar.  Bovendien democratiseert het de markten en en maakt het ons tot gelijkwaardige ruilpartners. Helaas zijn de ontwikkelingen in het financiele domein en de bemoeienissen hiermee vanuit andere domeinen ons ons zicht hierop in de loop van de tijd steeds meer gaan ontnemen. Dat zou het wel eens kunnen zijn wat het ons zo vaak moeilijk maakt om goed met geld om te gaan.

Geld is iets materieels: een muntstuk, een geldbiljet, een cheque, een machtigingsformulier, een plastic kaart, of wat dies meer zij. Het zou voor de hand liggen om zo'n fysiek betaalmiddel alleen in te zetten tegen de levering van fysieke goederen en diensten. Maar zo zijn we dat niet gaan doen. Alles zijn we te koop gaan aanbieden, ook psycho-sociale, culturele en spirituele producten en diensten. En waarom ook niet? Waarom zou het geld dat we voor iets geven of ontvangen als tegenprestatie er niet een uitdrukking van kunnen zijn hoezeer in geval het immateriele in het materiele tot uitdrukking is of kan zijn gebracht? Maar een en ander kan vertroebeld raken, vooral als het gaat om geestelijke diensten en waarden. De geschiedenis van met name de religieuze instituties heeft ons dat maar al te vaak laten zien. Twee mechanismen kunnen hierbij in het spel zijn en elkaar versterken. Allereerst de constitutionele neiging in ons om in ons persoonlijke leven het geestelijke te verwaarlozen of te veronachtzamen. Vervolgens het sociale, culture en filosofische materialisme van de 18e, 19e en 20e eeuw waardoor de spanning en samenhang van het materiele en het immateriele nogal eens in het ongerede zijn geraakt.

Niet alleen de financiele instituties en de overheden hebben hierin hun verantwoordelijkheid. Ook wijzelf als consumenten. Alle drie lopen we de vraag naar wat geld eigenlijk is en wat de functie er van is in denken, spreken en handelen maar al te gemakkelijk stelselmatig onder de voet. Niettemin kan de creativiteit die anno 2018 her en der aan de dag wordt gelegd als het gaat om de bezinning op en de opvang van de planeetcrisis ons enige hoop bieden dat ook financiele bewustwording mogelijk is.

dinsdag 17 juli 2018

Spirituele economie - 11. Werk en werkeloosheid

Zo kunnen, mogen en moeten we in het totale veld van spirituele actie drie werkvelden onderkennen. Ten eerste het rijk geschakeerde fysieke of economische veld. Ten tweede het al even diverse civiele veld. Dit civiele veld is is afgeleid van en dient ter ondersteuning van het economische veld  In het gebruikelijke economische betoog worden beide velden dan ook vaak te samen genomen. Ten derde is er het geestelijke veld dat de inspiratieve grond is voor het economische en civiele. Er is sprake van een soort van hierarchische ordening met het fysieke veld bovenaan. Het gaat immers uiteindelijk allemaal om de bevordering van het fysieke en economische omdat alle mensen te samen met alle levende wezens allereerst daarvan afhankelijk zijn en daarin weer door en door van elkaar afhankelijk. Tegelijk zijn de drie velden gelijkwaardig. Want ze doordringen elkaar en staan ook elkaar ten dienste. De mensheidsgeschiedenis staat bol van de verdraaiingen en conflicten in deze. Zeker de Atlantische geschiedenis. Eeuwen lang en zeker sedert Plato in de 4e eeuw BCE heeft bij voorbeeld het geestelijke veld in positie en waardering aan de top gestaan. Sedert Marx in de 19e eeuw CE heeft het veld van de economisch actieven en met name de minder vermogenden daarin dit vaandel proberen over te nemen, met naar het zich laat aanzien een twijfelachtig effect en succes.

Uit oogpunt van spirituele actie is er sprake van werk en niet-werk, of van werk en werkloosheid, of van werk en bedrijvigheid. Werk is alle individuele bedrijvigheid in welk werkveld dan ook die overeenstemt met  wat ieder van ons eigenlijk uit oogpunt van persoonlijke bestemming te doen staat. bedrijvigheid is alle bedrijvigheid die dat niet doet. Hier draait voor ons mensen als spiritueel actieve wezens alles om. Hierin ook kunnen we ons persoonlijk en collectief grandioos voor de gek houden en elkaar te kort doen. Wie betaald en wie weet zelfs goed betaald bedrijvig is kan denken of geacht worden dat hij of zij aan het werk is. Wie gedwongen of uit overmacht niet tegen vergoeding bedrijvig is kan denken of geacht worden tot werkloosheid  gedoemd of vervallen te zijn. Of we hebben wel werk in de gebruikelijke zin van het woord, maar dan in een veld of op een gebied dat eigenlijk het onze niet is, of we zijn uit noodzaak of dwang of onwetendheid bedrijvig op een manier die de onze niet is. 

Doorgaans brengen we werk en werkloosheid vooral met fysieke  of economische werkzaamheid en inactiviteit in verband. Maar de scheidslijn ligt niet tussen de hierarchisch gelaagde velden  De scheidslijn zit hem in de intentie waarmee we bedrijvig zijn en dus al dan niet aan her werk. Maar zeker is die scheidslijn en de opheffing daarvan in het fysieke of economische veld van doorslaggevende betekenis. We kunnen sacrale en profane economie bedrijven. De sacrale economie is gebaseerd op spirituele economische waarden. De profane economie is de economie van de berekening. Het zou een misverstand zijn te denken dat dit een zaak van of-of is en van  goed en fout. Maar dit misverstand heerst alom, met minachting voor het sacrale als gebruikelijke uitkomst. Beide economieen hebben elkaar echter nodig. De berekenende economie kan niet tot volle en evenwichtige wasdom komen zonder het spirituele. De spirituele economie kan slechts tot gelding komen in een bewuste berekenende economie. Deze verhouding is niet zozeer een doel maar een weg, niet zozeer een eindpunt, maar een steeds verschuivende einder. Maar pas in een dergelijke verhouding wordt de weg geopend voor volledige werkgelegenheid, waarin alle mensen hun gezamenlijke bestemming en persoonlijke opdrachten kunnen ontdekken en verwerkelijken en daarin ook elkaar kunnen bevestigen.


dinsdag 29 mei 2018

Spirituele economie - 10. Werk

Van werken is sprake als we bezig zijn met wat ons van moment tot moment persoonlijk te doen staat. Werken is op eigen persoonlijke wijze gevolg geven aan de gezamenlijke bestemming die alle mensen met elkaar delen om het immateriele in het materiele tot uitdrukking te brengen. Het is de bedoeling van ons menselijk actief zijn dat alles wat we doen en de manier waarop we dat doen stroken met onze persoonlijke opdrachten. Maar het is ook maar al te zeer eigen aan ons menselijk actief zijn dat wat we op gegeven moment doen en de manieren waarop we dan bezig zijn niet stroken met onze persoonlijke opdrachten. Vaak zijn we wel bedrijvig, maar niet aan het werk. We kunnen in de gebruikelijke zin werkloos zijn maar ook in spirituele zin. Het is onze persoonlijk spirituele verantwoordelijkheid er voortdurend voor te zorgen dat al onze bedrijvigheden en de manieren waarop we ze verrichten samenvallen met wat ons telkens weer te doen staat. Dit vraagt van ons levenslang niet aflatend onderzoek met de vinger aan de pols. Wat staat mij telkens weer te doe, en hoe, en in welke mate komen wat ik op gegeven moment doe alsmede de manier waarop wel of niet overeen met wat mij persoonlijk te doen staat? De antwoorden op deze vragen druk ik uit in evenzovele intenties.We doen dat te weinig, ons afvragen wat we hier en nu eigenlijk te doen hebben en of wat we nu feitelijk doen daar mee overeenkomt.

Wat te doen? We zijn sterk geneigd geraakt om werk gelijk te stellen aan economisch werk voor de bevolkingsgroepen tussen 15 en 75 jaar. Dat is begrijpelijk. Gezien het spirituele primaat van het economische domein, of gezien  de geschiedenis van de economie als topprioriteit op de publieke agenda. Maar niet iedereen hoeft allereerst een economische opdracht te hebben in het leven of in een bepaalde levensfase. Dat kan net zo goed een maatschappelijke of culturele opdracht zijn. We hebben ook een lange geschiedenis van onderwaardering van bezigheden in de persoonlijke levenssfeer. Zo zijn hobbies maar hobbies en hebben zij niets met werk van doen. Dat geldt net zo vaak ook voor huishoudelijke bezigheden. Het aanrecht is berucht geworden. De hond uitlaten of mijn kind naar bed brengen kunnen evenzeer mijn werk zijn als, en misschien nog wel meer dan, mijn in- of verkoopactie voor mijn bedrijf. We lopen trouwens het risico te veronachtzamen dat we voortdurend veel domeinen van spirituele actie bestrijken en hebben te bestrijken, zo niet alle, zij het in verschillende maten en met eigen prioriteiten. Het kan ook voortdurend wisselen en verschuiven van de kortere tot op de langere termijn.

Hoe moet ik dat doen? Dat is een vraag met veel subvragen. Mogelijk in twee hoofdlijnen: in welke vormen, en onder welke condities? Werkvormen die zich kunnen aandienen zijn: ondernemen, toezicht houden, leiden en managen, uitvoerend werkzaam zijn, vrijwilligerschap, actief lidmaatschap, professionele beroepsuitoefening, en persoonlijk dan wel digitaal netwerken. Belangrijke condities die in het spel kunnen zijn: beloning, bekwaamheid, verbintenis, en tijdsperspectief. Moet of mag ik wel of niet tegenprestaties verwachten in de vorm van vergoedingen, uitkeringen of sponsoring? Ben ik voor wat mij te doen staat voldoende toegerust en hoe zorg ik er eventueel voor dat ik dat wel ben. Doe ik mijn werk krachtens formelere overeenkomsten en afspraken, of meer informeel en in meer stilzwijgende afstemming. Geldt mijn opdracht voor kortere termijn of als project, dan wel voor de lange termijn of zelfs levenslang? Naast deze twee hoofdlijnen geldt natuurlijk de kwaliteitsvraag: ik hoor altijd alles zo goed mogelijk en naar vermogen te doen.

Werk in spirituele zin houdt nog iets in. Wij zijn namelijk niet alleen deelnemers aan en consumenten binnen een of meerdere domeinen in het totale veld van spirituele actie. Wij zijn mogelijk ook bijdragers en mede-ontwikkelaars daarvan. Wij kunnen werken in het besef dat we het betreffende domein verder kunnen ontwikkelen dan wel er afbreuk aan kunnen doen. Als ik mijn tuin verzorg dan ben ik agrarisch bezig en heb ik een kans te zorgen voor insectenvriendelijke begroeiing. Als ik het reisformulier van de reisorganisatie goed invul dan kan ik de opzet van de reis die ik heb meegemaakt voor anderen verbeteren.

zondag 6 mei 2018

Spirituele economie - 9. Het fysieke domein

De eigenlijke economie dus! Het domein bij uitstek in het hele veld van spirituele actie! Het is de moeite waard, hoe tricky ook, om te zien hoe met name dit domein wat specifieker in kaart te brengen is.

We kunnen de contouren ontwaren van een groot aantal omvangrijke moeilijk uitputtend op te sommen werkgebieden. Landbouw en veeteelt, bosbouw en waterbouw, visserij, mijnbouw, de wereld van de ambachten en het ingenieurschap, de bouw, handel en marktwezen,winkelnering, logistiek en transport, het geldwezen, de industrie, fysieke advisering en dienstverlening , en ict. In de aardrijkskundeboekjes van wat voorheen de lagere school was werd met achteraf gezien spiritueel economische diepgang gesproken van middelen van bestaan. In bovenstaande opsomming zit een historische lijn al is die bepaald niet lineair. We begonnen ooit agrarisch. Het jagen en verzamelen ging daar weliswaar nog aan vooraf. Maar dit werkgebied, dat vergeleken met de genoemde werkgebieden evolutionair gezien verreweg het langst heeft geduurd, is in de andere gebieden opgegaan.

Ook hier kan het verstarrend werken om van werkgebieden te spreken. Dat geeft te veel de indruk van een plat speelterrein met afpalende belijningen en markeringen. Het gaat eerder om een economische ontwikkelingsgang vol deelprocessen die wel globaal en in de tijd gezien na elkaar hun start hebben genomen maar die door zijn blijven evolueren, zich op elkaar zijn gaan stapelen en elkaar meer en meer zijn gaan doordringen.

Lang niet allemaal zijn we actief werkzaam in het fysieke domein. Wie dat wel zijn, van hoog tot laag in de betreffende rangen en standen, hebben een grote en belangrijke verantwoordelijkheid. Niet alleen zijn de economisch actieven van elkaar afhankelijk. Ook en met name is het bestaan van allen die binnen de de andere domeinen opereren van de economisch actieven afhankelijk. Deze dubbele afhankelijkheidsverhouding wordt ternauwernood onderkend en heel vaak met voeten betreden. Bekend is de opstelling van de financiele wereld in aanloop naar, tijdens en in vervolg op de financiele crisis sedert 2007. In die wereld zijn met name de hogere gezagskringen volkomen bevangen geraakt door een ook nog eens slecht begrepen eigen belang op de korte termijn. Daar is voldoende op gewezen door serieus te nemen opinieleiders. Ook de recente ontwikkelingen op het gebied van werkgelegenheid getuigen van de ontkenning van de betekenis van het fysieke domein. Aan werkgelegenheid is er nominaal gezien geen gebrek maar van waardige werkgelegenheid is steeds minder sprake. Getuige de ontwikkelingen in het wel en wee van het als maar groeiende leger zzp'rs, deel- en tijdelijke contractanten en uitzendwerkers.

Als consumenten hebben we natuurlijk allemaal deel aan het fysieke domein en hebben we er  ook invloed op. Die deelname en invloed kunnen niet bewust en waardig genoeg zijn. Helaas is ook hier nog een wereld te winnen. De huidige planeetcrisis is mede toe te schrijven aan ontaard consumentisme.
Waardige actieve en ontvangende deelname aan het fysieke domein vragen om het besef dat het fysieke domein bij uitstek het domein is waar alle mensen samen het immateriele in het materiele tot uitdrukking mogen, kunnen en moeten brengen.